Achtergrond en oorsprong
Koemelk bevat verschillende eiwitten, waarvan caseïne het grootste aandeel vormt. Binnen de groep van caseïnes is bèta-caseïne een belangrijk subcomponent. Er bestaan verschillende genetische varianten van bèta-caseïne, waarvan A1 en A2 de bekendste zijn.
-
De A2-variant wordt van nature geproduceerd door bepaalde koeienrassen, zoals Guernsey, Jersey en sommige Aziatische rassen.
-
De A1-variant is ontstaan uit een genetische mutatie bij Europese melkvee-rassen, waaronder de Holstein-Friesian.
In gewone melk zit meestal een mix van A1 en A2 bèta-caseïne. A2-melk komt van koeien die genetisch geselecteerd zijn om uitsluitend A2-eiwit aan te maken.
Verschil tussen A1- en A2-eiwit
Het verschil zit op één aminozuurpositie in de eiwitketen. Bij A1 wordt bij de vertering het peptide BCM-7 (beta-casomorphine-7) gevormd, waarvan wordt gesuggereerd dat het bij sommige mensen darmklachten kan veroorzaken. A2-melk leidt niet tot deze afbraakstof, wat een verklaring zou kunnen zijn voor het verschil in tolerantie.
Mogelijke voordelen
-
Minder darmklachten bij mensen die gewone melk minder goed verdragen
-
Geen invloed op lactose: A2-melk bevat evenveel lactose als gewone melk
-
Kan bijdragen aan betere vertering voor mensen met gevoelige spijsvertering (niet te verwarren met lactose-intolerantie)
Let op: wetenschappelijk bewijs is nog in ontwikkeling en niet iedereen ervaart verschil.
Productie en beschikbaarheid
Om A2-melk te produceren, worden koeien genetisch getest op hun bèta-caseïne-type. Alleen dieren met twee A2-genen (homozygoot A2/A2) worden geselecteerd voor melkproductie.
A2-melk is inmiddels commercieel verkrijgbaar in diverse landen, zowel als verse melk, als verwerkt in producten zoals yoghurt en melkpoeder.